Werkstuk 2.0

IMG_2284-0.JPG

Kinderen lezen niet meer! Ze bewegen niet genoeg, en ze hangen alleen nog maar achter hun computer – waarvan ze afgestompt raken. En zo ken ik nog meer angsten en aannames die soms waar zijn, soms ook niet.
In de Franse tijd was de algemene bezorgdheid dat de Nederlandse taal zou verdwijnen. Toen de fiets in zwang raakte, werd deze geweerd in het verkeer, omdat het glimmende stuur van de fiets de paarden voor de koetsen zou doen schrikken.
Kortom, elk nieuw tijdperk brengt nieuwe onzekerheden met zich mee. We hebben de neiging het nieuwe te verbannen en ons terug te trekken in het oude vertrouwde, maar de jonge generatie doet daar nooit aan mee, dus moeten we tóch mee met de tijd.

Mag ik op je ipad?

Nu hebben we te maken met het digitale tijdperk. We zijn bang dat het gedrukte boek verdwijnt, dat kinderen geen eigen handschrift meer zullen ontwikkelen, dat ze niet meer buiten spelen en ze hun interesse in elkaar en de wereld verliezen.
Ik deel die angst wel, en realiseer me tegelijk dat die angst niets oplevert. Met onze taal is het wel goed gekomen; zelfs het Engels kan het Nederlands niet verjagen, maar die paarden zijn toch maar mooi uit ons straatbeeld verdwenen. Maar soms bewijst de realiteit me ongelijk. Neem vandaag.

“Mag ik op je iPad?” bedelt onze zevenjarige weer eens. Ik wil al zuchtend ‘nee’ zeggen, omdat het geen speelgoed is, en ze er vierkante oogjes van krijgt en zo voort, maar ze legt uit waar haar vraag vandaan komt. Ik heb namelijk een app om naar de sterren te kijken, waar ze dol op is, en nou had ze bedacht dat ze een werkstuk kon maken met sterrenkennis. We speuren samen via de app 360 graden in de rondte naar sterren en planeten. We ontmoeten de maan, Jupiter, en verbazen ons over de Hubble Space Telescope die al vijfentwintig jaar scherpe nachtfoto’s maakt in de ruimte. We bekijken allerlei fantastische eeuwenoude sterrenbeelden en lezen de bijbehorende weetjes. Pure magie, ontsluierd door een internetgestuurde simulatie van ons sterrenstelsel.

Een groot vel papier en stiften komen plots tevoorschijn.

Met volle concentratie en engelengeduld schrijft ze de moeilijke Engels woorden en Latijnse namen op het papier. Jupiter wordt ingekleurd, de stand van de maan nagetekend, en voilà! Een werkstuk – old school – op basis van digitale techniek. Dit meisje verrast me, en geeft me inzicht: een kind is onbevangen, en integreert alles. De nieuwste technologie met de oudste.
Als het nieuwe zich aandient, hoeft dat niet automatisch verlies van het oude te betekenen, maar kan het juist een upgrade zijn. Nieuw plus oud is fusion. Werkstuk 2.0, dank voor de wijze les!

Advertisements

Stiefmoederdag

“Ssssjt, nee, niks hoor, dat mag jij niet zien!”

Dan weet je genoeg. Iets met een zelfgebakken draakje of eigengekleid koekje. Of andersom. Bij je ontbijt, enzo. Morgen dus: stiefmoederdag. Want in ons huis is stief net zo lief, en dat is een groot geluk.

Authenticiteit en onderwijs

We zijn aan het eind van het schooljaar, en na een mooi becijferd rapport en met een keurig schoolfeest achter de rug lonkt de vakantie. De vraagt dringt zich aan me op: waar zou onderwijs over moeten gaan? En hoe geef je dat vorm?

Pedagogische kwaliteiten en didactische vaardigheden. Die staan voorop in het onderwijs. Handelingsplannen schrijven en Cito-toetsen afnemen – ook al zo belangrijk. Leerkrachten van nu worden geacht overal inzetbaar te zijn, van kleuter tot groep 8. En graag in alles even goed.

We willen dat het onze kinderen aan niets ontbreekt, uiteraard.

Maar wat is nu de ware kwaliteit, verscholen achter de holle termen? Wat vinden we echt belangrijk om onze kinderen mee te geven? Hoe zit het, bijvoorbeeld, met eigenheid? Met het tonen van karakter en ontdekken van het leven? Zijn daar ook kwalificaties voor?

Gitaar en duck tape

Toen ik zelf op school zat, was er één juf die een beetje anders was dan de meesten. Zij had een gitaar, ze deed aan aerobics en ze schreef elk jaar de musical, samen met een van de meesters. Er was ook iets interessants met haar achternaam die weer haar meisjesnaam was – wij wisten daar het fijne niet van. Maar bijzonder was ze wel. Juf Lia. We zongen veel in haar klas. De gymlessen verschilden van alle andere jaren, doordat we geregeld klassikaal buikspieroefeningen deden, en ook danspasjes op muziek. Lekker stom vonden de jongens dat – maar ik was blij. Eindelijk eens geen trefbal, voetbal of basketbal… Juf trok dan haar strakke zwartglimmende aerobicspakje aan, tot grote hilariteit van waarschijnlijk de hele klas. She didn’t care. Juf Lia was cool. Ze maakte grapjes die kleine kinderen niet zouden begrijpen, en wij waren al groep zes.

Juf Lia moest je echter niet in de kleuterklas zetten. Dat gefriemel van die kleintjes, die geen vijf seconden hun aandacht vast konden houden! Op een dag ducktapete ze een jongetje aan zijn stoel. Het nieuws verspreidde zich door de hele school. Hilarisch vonden we dat.

Ik kan het me zeker voorstellen, dat je op een ochtend vol gekrioel van die ukken uit wanhoop de wildste simpelweg vastplakt. Onorthodox is het wel, en zou je opvoedcursus Triple P erbij nemen, dan moet je toch stellen dat deze leerkracht zich gruwelijk heeft laten meenemen in de escalatie van het kindergedreins.

Nu is mijn vraag niet, of het geoorloofd is om kleuters op stoelen vast te plakken. Dat lijkt me niet.

Nu is mijn vraag niet, of het geoorloofd is om kleuters op stoelen vast te plakken. Dat lijkt me niet. Wel vraag ik me af wat voor zin het heeft om van leerkrachten te eisen dat ze voor elke leeftijdsgroep hun standaardkunstje doen. Als je in je element bent met kleine kinderen, waarom mag je dan geen ‘kleuterjuf’ meer worden? En als je dat grut wel letterlijk achter het behang zou kunnen plakken, waarom kun je dan geen bovenbouwleerkracht worden?

Karakter en kosten

Het zal allemaal wel weer duur zijn, want diversiteit kost nu eenmaal meer dan eenheidsworst. Maar raar is het wel. In het onderwijs gaat steeds meer aandacht uit naar differentiatie. Het is een toverwoord in elke nieuwe lesmethode. Er wordt nauwgezet gekeken naar de leerling op maar liefst drie niveaus per jaargroep, want we willen hen een aanbod op maat geven. Gek genoeg beperken we ons dan puur tot de lesstof, en laten we levenservaring buiten beschouwing. Of het verrijkend is om een meester of juf te hebben die jouw leeftijd en leefwereld begrijpt, dat is geen criterium.

Zorgen baart het me wel. Want hoe moet een juf Lia anno nu de pabo doorworstelen? Hoe kun je nog als authentiek mens de weg door het zo gestroomlijnde onderwijs afleggen? Dan heb ik het nog niet eens over het tekort aan mannelijke leerkrachten, die – heel kort door de bocht – vaker affiniteit met oudere kinderen hebben dan met die kleintjes. Ik begrijp best dat je als stoere jongeman geen trek hebt in oeverloze knutselwerkjes en gesprekken over wc- bezoek. En wij maar roepen waar de mannen toch blijven…

Ik zou graag echte mensen voor de klas zien, die ruimte krijgen om met hun hele hart kiezen voor de kinderen. Mensen die zichzelf zijn, die lef hebben en die met hun ideeën de wereld van kinderen groter willen maken. Om te beginnen lijkt het mij zinvol om authentieke mensen te verwelkomen, op pabo’s en op scholen. Meer ruimte te geven aan authentieke individuen die ook weleens gek doen, zoals alle echte mensen. Liever dan tamme opgeleide alleskunners.

Maar nu eerst: een fijne zomer allemaal!

Nelleke Bos 2013, gepubliceerd op http://www.gezinspiratie.nl

Kaas

Mijn stiefdochter wil kaas op haar brood. Ik schaaf de plakjes en zij belegt haar boterham. Wanneer die vol genoeg is naar haar smaak, legt ze tot mijn verbazing alle kaas opzij en knaagt aan het kale brood. Handig hoor… De losse plakjes op haar bord herinneren mij ineens aan mijn kindertijd, toen ook ik graag losse plakjes kaas at. Ik vertel haar:
‘Ik sneed altijd huisjes uit mijn plakje kaas.’
Meteen is mijn meisje geïnteresseerd. Moet ik laten zien natuurlijk, hoe dat vroeger ging. IJverig kerf ik een deurtje, een raampje en een schuin dakje uit haar plakje kaas. Verguld pakt ze het op, houdt het raampje voor haar oog en gluurt erdoor. Legt vervolgens het kaashuisje op haar neus.
‘Nu ben je net een slak, die zijn huisje met zich meedraagt!’
Dan vang ik de blik van mijn lief. Oeps. Spelen met eten valt misschien niet helemaal in haar opvoedstijl? Ze moet wel lachen. ‘Weet wat je in gang zet,’ voorspelt ze nuchter. ‘Zometeen moet je een vliegtuig en een ruimteschip uit de kaas snijden, en daarna een dansend elfje ofzo.’
Prompt zegt stiefmeiske triomfantelijk: ‘Nel, maak je een vliegtuig voor me, en een ruimteschip?’
Een nieuwe hit is geboren.

Stiefouders zijn geneigd strenger op te treden dan biologische ouders, zo blijkt uit onderzoek. Ze willen het minstens net zo goed doen als de ouders, proberen onbewust als Superouders uit de bus te komen. Dat kan ik uit eigen ervaring volmondig bevestigen. Ik wil dolgraag een geweldige opvoeder zijn, en zie doorgaans haarscherp wat er nog beter zou kunnen, of in elk geval wat ik anders zou willen zien in de opvoeding van de dochter van mijn lief.
De weg van strengheid levert in praktijk weinig op. Mijn partner noch mijn stiefkind beleven plezier aan die pittige observaties van mij. Om over mijn plezier maar niet te spreken.
Nee, dan zo’n kaassituatie. Een riant gevoel van rijkdom krijg ik wanneer ik me realiseer dat je als stiefmoeder supergekke dingen kunt verzinnen. Dat je een leukere stiefmoeder bent met originele plannetjes dan met droge zo-hoort-het-uitspraken. Plannetjes die opvoedkundig misschien niet zo geslaagd zijn, maar wel aanslaan bij je kind. Uiteindelijk zal haar moeder haar fatsoen bijbrengen, en het snijden van huisjes uit de kaas binnen de perken houden, toch? Omdat kinderen nu eenmaal heel veel leren van hun ouders. Voorzichtig begin ik te ontdekken dat mijn plek als ‘stief’ heel voordelig kan zijn. Stiefmama’s mogen af en toe best onschuldig uit de band springen, plezier vooropstellen en wat tegenwicht bieden aan hun eigen ingebakken strengheid.

 

Nelleke Bos, gepubliceerd bij gezinspiratie.nl in 2013

Herkenning

Ik haat oefenen. Oefenen betekent dat je iets nog niet kunt, en het ongewis is of je het gewenste zal kunnen in de toekomst. Het heeft te maken met doelgericht zijn, en de bereidheid om te struikelen en te stuntelen. Die bereidheid heb ik nooit gekend. Van kinds af aan heb ik alleen dingen willen doen waarvan ik bij voorbaat overtuigd was dat ik ze kon.
Hoe regel je dat? Door eindeloos te kijken. Anderen te observeren totdat je denkt: nu kan ik het ook. En geloof me, met een heel aantal vaardigheden ben ik een eind gekomen met deze methode. Maar een flink aantal andere dingen heb ik me nooit eigengemaakt, simpelweg omdat ik de oefenfase weigerde te aanvaarden.

Erfelijk?

Nu heb ik inmiddels een stoere stiefdochter die zich van hetzelfde systeem blijkt te bedienen. Met genen heeft dit niets te maken, dat moge duidelijk zijn. De herkenning is er bij mij niet minder om.
Als kleuter redde ze zich prima, maar nu groep 3 vordert, begint het op te vallen. In ons schoolsysteem heb je geen eindeloze vrijheid. Je moet echt leren wat je aangeboden wordt. Letters, woorden, sommen. Liedjes en gymoefeningen. Ziet het er moeilijk uit? Toch oefenen. Jakkes!
Hoe naar ik het ook vind om te zien hoe mijn stiefdochter stoeit met deze materie, toch zie ik ook een lichtpuntje. Ze is er in elk geval niet alleen mee, ondanks dat haar eigen ouders andere manieren hebben om te leren. Zij helpt mij onbedoeld in het inzicht krijgen in mijn leersysteem, doordat ik met terugwerkende kracht zie hoe ik het zelf als kind aanpakte. Ik moet bekennen dat ik mijn methode ietwat lachwekkend ben gaan vinden, nu ik die via haar uitvergroot terugzie. Op mijn beurt hoop ik haar te kunnen helpen in het durven oefenen. Omdat ik weet hoe onhandig het kan zijn, als je in elkaar zit zoals wij.

Oefenen

Dat ik zelf nog niet uitgeleerd ben, is me wel duidelijk. Zo gaat het ook met onze gezinsvorming. Oefenen, oefenen, oefenen. Als je een samengesteld gezin wordt, heb je nog geen idee waar je in belandt. Je kent de valkuilen niet, of de complexe dynamiek, en ook de trucs en de geluksmomenten zijn je onbekend. Je kunt het dus nog niet, je zult moeten leren hoe alles werkt.
En dan… ben ik ineens weer zo blij met onze ‘stiefband’. Het ontbreken van bloedbanden in een gezin kan gekmakend zijn, desondanks blijf ik grote plussen ontdekken. We hebben elkaar allemaal iets te brengen, we zijn niet per ongeluk in elkaars leven beland. We leren van elkaar – en dat is leven. Soms zie ik helderder wat er aan de hand is, juist omdat ik meer los sta van ouder en kind. En soms doet het er gewoon heel erg toe dat ik er ben, als mens, daar hoef ik geen moeder voor te zijn.

Nelleke Bos
Verschenen in Nieuw Gezin Nederland, maart 2014

Gelukkig ouderschap. Wat geluk doet voor jou èn je kinderen

Kinderen krijgen is het mooiste dat je kan overkomen. Ouderschap is de zwaarste baan ter wereld. Allebei waar, toch? Daarnaast wil je dat jij een goede ouder bent, dat je kinderen gelukkig zijn, en dan wil je zelf ook nog geluk proeven. Gaat dit samen? Een goede ouder kun je zijn op vele manieren. Volgens het boekje, volgens je idealen, alles keurig zoals het hoort, of als tegenreactie op je eigen kindertijd, verzin het maar.

De strategie die ik zelden hoor, is opvoeden vanuit je eigen plezier. Is het mogelijk om met je kinderen te genieten terwijl je opvoedt – en niet alleen in de ‘vrije tijd’ tussen de opvoedmomenten door? Terwijl jij in je eigen flow bent, dingen doet waar jij van houdt, je kinderen daar moeiteloos in mee gaan en nog gelukkig groot worden ook?

Geluktip 1

Gelukkig zijn is niet de afwezigheid van ongeluk, maar het opgaan in wat je doet. Ramen lappen, verplicht nummer? Het hoeft niet! Als je er een schoonmaakfeestje van maakt met je kinderen, kan het een dolle boel worden. Schuilt er misschien plezier in ‘saaie’ klussen? Kan haasten voor schooltijd ook een spannende wedstrijd worden?

Bovenstaand klinkt misschien logisch, maar ga eens na hoe vaak je verlangt naar ‘kinderbedtijd’, zodat je eindelijk een moment voor jezelf hebt. Opvoedtijd geldt niet als vrije tijd, zo lijkt de heersende ervaring te zijn. Nadat kinderen generaties lang zijn grootgebracht om dienstbaar te zijn aan hun ouders, hun familie en het werk dat gedaan moest worden, hebben we nu de luxe om onze kinderen te geven wat hun hartje begeert. We geven hen zoveel mogelijk onze aandacht als we thuis zijn. In feite zijn we nu dienstbaar geworden aan de kinderen. Natuurlijk speelt mee dat de meesten van ons tweeverdieners zijn, waardoor de tijd met de kinderen kostbaar is geworden.

Vakantie, vrije tijd en persoonlijke ontwikkeling zijn tegenwoordig weliswaar gemeengoed geworden, dat betekent niet dat we automatisch experts zijn geworden in geluk of in genieten. Het idee dat plezier maken met je kinderen samen kan gaan met zelf genieten, en dat dit ook nog eens getuigt van goed opvoeden is nou niet bepaald vanzelfsprekend. We zorgen voor alle nuttige taken, van eten koken tot ruzies beslechten, rapporten bespreken en hun beeldscherm-uren reguleren. Of we hebben quality time met de kinderen. Dat houdt in dat we iets doen waar zij echt zin in hebben. Tot een vervullende combinatie van belangen komt het niet vaak.

Geluktip 2

‘Ik heb zoveel zin om weer aan yoga te beginnen,’ zucht een vriendin. ‘Maar waar vind ik de tijd om dat te doen?’

Hier is een ‘wild’ idee: doe yoga samen met je kinderen. Ieder op zijn eigen niveau. Internet voorziet in genoeg materiaal, speelse filmpjes en heldere uitleg, om moeiteloos wat gekke houdingen uit te proberen. Kinderen verzinnen algauw hun eigen work out, met veel spel en fantasie. Geen punt, zolang jij je tegelijkertijd kunt verdiepen in oefeningen die bij jou zelf passen. Kinderen genieten ervan om aandacht te krijgen, maar ze zijn er ook dol op om jou te zien stralen. Dat geeft een kind een heel basaal gevoel van rust en geborgenheid: ‘met mijn ouders is het goed’.

Als yoga niet je ding is: ga je weleens spelend tandenpoetsen? Hoe vaak lees je verhaaltjes voor waar jij zelf blij van wordt? Beluister je muziek uit jouw eigen collectie waar je kinderen ook graag naar luisteren?

 Simpelweg gelukkig zijn: een utopie?

Waarom zou geluk onbereikbaar zijn? Ik wed dat iedereen wenst dat zijn/haar kinderen gelukkig worden. Waarom beginnen we dan niet met zelf gelukkig te zijn, zodat zij het van ons leren?

We zijn gewend om mondeling over te dragen wat we van belang vinden. Intussen wordt steeds meer bekend dat we sneller leren via ervaring dan via taal.

‘Wees niet bang dat je kinderen niet naar je luisteren. Wees bang dat ze altijd naar je kijken,’ zegt de Amerikaanse schrijver Robert Fulghum dan ook terecht. Kinderen leren hoe je kunt leven door naar jou te kijken. Naar de keuze die je maakt, naar de manier waarop je praat, met je emoties omgaat, van je vrije tijd geniet. Dat zijn de ervaringen en vaardigheden die je kinderen opbouwen.

Opgroeien leer je dus vooral door goed naar je ouders te kijken en minder door naar ze te luisteren. Goed, dit wetende, wat wil je je kinderen laten zien? Wil je dat ze gelukkig zijn? Wees dan zelf gelukkig.

Stiefoma – liefde genoeg

B HAPPY

Stiefoma

Moderne families worden er niet simpeler op. Heb je net je positie als kind ten opzichte van je ouders en je stiefouders een beetje in de hand, blijken er ook nog stiefooms en -tantes, -opa’s en -oma’s rond te wandelen. Een complete familie die voorheen niets met jou te maken had.

Waar je je als stiefouder nog een slag in de rondte werkt om in de gratie van je stiefkroost te vallen, ben je als stiefgrootouder voor minder moeite verzekerd van een plaatsje in het kinderhart.

Hoewel, minder moeite? De ansichtkaartjes en doosjes Playmobil die mijn stiefdochter ontvangt, getuigen toch van heuse omaliefde. Daar is niks stief aan.

Een geluk is misschien ook, dat stiefgrootouders een stuk makkelijker te integreren zijn dan stiefouders. Niets nieuws onder de zon, want ook biologische grootouders liggen vaak een stuk beter in de markt dan toen zij nog slechts ouders waren. Ouders weten zich doorgaans succesvol te ontpoppen tot intens gezellige oma’s en opa’s, hoe ingewikkeld hun kinderen ze ook hebben gevonden.

Maar horen deze stiefgrootouders er nu ook echt bij? Tellen ze volledig mee? Het ligt zeker ook aan de grootouders zelf, en de verdere familie. Zijn alle kinderen hertrouwd en nu in samengestelde gezinnen genesteld? Zijn de stiefkleinkinderen de eerste of de zoveelste in een rij? In hoeverre ervaren de grootouders hun nieuw aangeschoven kleinkinderen als ‘eigen’? Leven ze zich in de (klein-)kinderen in?

Wie komt er in mijn huisje?

Mijn stiefdochter zoekt op haar manier naar het antwoord. Toen haar judo-examen naderde, stond voor haar vast dat alle opa’s en oma’s daar getuigen van moesten zijn. Vijf stuks bestelde zij er dus: twee paar van haar beide ouders en nummer vijf van mijn kant. Op de dag zelf meldt ze over mijn moeder: “Maar oma Wil is niet mijn echte oma.”

“Nee, ze is je stiefoma,” antwoord ik met een licht bezwaard gevoel. Een niet-echt familielid, dat geef je een kind niet graag mee.

Als ik soms dacht dat deze stellingname voor mijn stiefdochter inhield dat oma in kwestie van een mindere klasse is, dan had ik het mooi mis.

Wanneer we later in de middag mijn moeder van de tram halen, stuift de stiefkleindochter op haar af. Een onstuimig wie-komt-er-in-mijn-huisje tot besluit. Ook het afscheid na een logeerpartijtje – “oma Wil mag in mijn bed slapen, hoor” – wekt geenszins de indruk dat een stiefoma minder liefde toekomt dan de ‘echte’ exemplaren. Zwaaiend en kushandjes gevend staan we op het balkom, totdat oma een stipje aan de horizon is geworden.

Opa’s en oma’s kun je dus gerust uitbreiden met een extra paar, zoveel is duidelijk. Ik geloof dat we kunnen spreken van inclusieve liefde. Liefde die misschien zelfs onbeperkt uitgebreid kan worden naar meer en meer familie. Hoera voor je stieffamilie!

Verschenen in ‘Nieuw Gezin’ december 2013 – Nelleke Bos